Hendrik de Vries

in Wikipedia, die vrye ensiklopedie
Jump to navigation Jump to search
Hendrik de Vries (ca. 1923)
'n Standbeeld van Hendrik de Vries deur Norman Burkett naby die Martinikerk in Groningen
'n Gedig (muurpoësie) deur Hendrik de Vries op 'n muur in Leiden

Hendrik (Henry) de Vries (gebore op 17 Augustus 1896 in Groningen, Nederland; sterf op 18 November 1989 in Haren (Groningen), Nederland) was 'n belangrike Nederlandse digter en skilder. Hy was een van die vroegste surrealiste. Die onderbewuste speel 'n groot rol in sy poësie.

Hy het baie inspirasie geput uit sy belangstelling in Spanje en die Spaanse mense en kultuur. Hy het Spanje dikwels besoek en het later verskeie gedigte in Spaans geskryf.

De Vries het 'n groot hoeveelheid poësie, geskrifte en kunswerke gepubliseer. Hy het ook bygedra tot die letterkundige tydskrif Het Getij.

Pryse[wysig | wysig bron]

  • 1946 - Hendrik de Vriesprijs
  • 1948 - Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs vir Toovertuin
  • 1951 - Spesiale prys van die Jan Campert Stigting vir sy essay-tipe poësie oor poësie
  • 1956 - Bykomende prys van die Jan Campert Stigting
  • 1959 - Kulturele prys van die provinsie van Groningen vir sy gehele oeuvre
  • 1962 - Constantijn Huygensprijs vir sy gehele oeuvre
  • 1973 - P.C. Hooftprijs vir sy gehele oeuvre

Bibliografie[wysig | wysig bron]

Gedig Aan hen die nimmer bukten by die Monument vir gevalle spoorwegpersoneel in Utrecht
Constantijn Huygens-prijs 1962. V.l.n.r. Gerrit Kouwenaar en eggenote Paula Hofmeester, Hendrik de Vries en eggenote Riek van der Zee, burgemeester Hans Kolfschoten en Jan Willem Holsbergen en eggenote (Paula Rietveld?)
  • 1917 - Het gat in Mars en het Milagrat
  • 1920 - De nacht
  • 1920 - Vlamrood
  • 1923 - Lofzangen
  • 1928 - Silenen
  • 1931 - Spaansche volksliederen
  • 1932 - Stormfakkels
  • 1935 - Copla's
  • 1937 - Atlantische balladen
  • 1937 - Geïmproviseerd bouquet
  • 1937 - Nergal
  • 1939 - Romantische rhapsodie
  • 1944 - Robijnen (klandestien gedruk tydens die Tweede Wêreldoorlog)
  • 1946 - Capricho's en rijmkritieken
  • 1946 - Toovertuin
  • 1951 - Distels en aloë's
  • 1955 - Gitaarfantasieën
  • 1958 - Groninger symphonie
  • 1965 - Iberia, krans van reisherinneringen
  • 1966 - Diseño jondo
  • 1971 - Cantos extraviados
  • 1971 - Goyescos
  • 1978 - Impulsen
  • 1993 - Verzamelde gedichten
  • 1996 - Sprookjes

Voorbeelde van sy digkuns[wysig | wysig bron]

Kwelling[wysig | wysig bron]

Ik sliep nog kort. Wat hoor ik daar?
Mijn kind, is hij in doodsgevaar?
Mijn eigen kreet heeft mij gewekt:
Daar staat hij, daar, met bloed bevlekt.

Zijn halfdicht oog wordt mij gewaar.
Zijn zachte schreden sijplen zwaar.
Ik hoor hoe 't uit zijn kleeren lekt.
Wat wil die hand, naar mij gestrekt?

Heb ik dan schuld? Het is niet waar!
Wat stemmen momplen door elkaar
Van 't vonnis, dat men dra voltrekt?
Wat kap, die mij 't gelaat bedekt?

  • Uit: Silenen (1928
Ziek en moe naar mijn bedje gebracht,
Schrok ik wakker, diep in de nacht,
Nam van de tafel 't lampje in de hand,
Zette 't weer weg: 't was al uitgebrand;
Liep naar beneden, door niemand gezien.

Waar ik bij dag soms gasten bedien,
Schalen en schotels aan moet reiken,
Zitten zwarten die roovers of duivels lijken,
Poken, rakelen en rumoeren,
Schuiven gerei op geboende vloeren.

Dan wordt het stil; het gaat buiten sneeuwen.
Als ik dorst fluisteren, gillen of schreeuwen,
Zouden de wolven, beren, tijgers en leeuwen
Die voor de trap liggen te loeren
Zich zeker verroeren.
  • Uit: Toovertuin (1946)

Bronne[wysig | wysig bron]

Eksterne skakels[wysig | wysig bron]