Gerrit Achterberg

in Wikipedia, die vrye ensiklopedie
Jump to navigation Jump to search
Gerrit Achterberg (1936)

Gerrit Achterberg (20 Mei 1905 - 17 Januarie 1962) was 'n Nederlandse digter. Sy vroeër gedigte se onderwerp is dikwels die versugting om met jou geliefde na die dood verenig te wees.

Achterberg was gebore in Nederlangbroek in Nederland. Hy was die derde seun uit 'n gesin van agt kinders. Hy was as 'n Protestant binne die Calvinistiese tradisie grootgemaak. Sy vader was 'n koetsier; tot die koms van die motorvoertuig en die gepaardgaande gewildheid daarvan egter die loopbaan tot niet gemaak het. Achterberg was 'n baie goeie student, en in 1924 het hy begin met sy loopbaan as onderwyser. In dieselfde jaar het hy sy literêre buiging saam met Arie Dekkers gemaak, wat hom aangemoedig het om te skryf. Hulle het saam De Zangen van Twee Twintigers gepubliseer.

Achterberg het intussen meer teruggetrokke en ingetoë geword. Nadat hy afgewys is deur die weermag as gevolg van "sieklikheid van die siel", het hy gedreig om selfmoord te pleeg. Achterberg se literêre loopbaan het egter vlerke gekry toe Roel Houwink hom as sy mentor voorgestel het.

Achterberg het sy bundel Afvaart in 1931 gepubliseer, waarin sy bekende tema, van 'n liefde wat onherroeplik verlore is, alreeds aanwesig is. Na die publikasie van Afvaart het Achterberg egter 'n geestelike ineenstorting ondervind en was hy verskeie kere na 'n psigiatriese inrigting gestuur. Sy psigiese onstabiliteit het ook geweldadige uitbarstings van 'n afwisselende aard tot gevolg gehad.

Hierdie onderbrekings van geweld het in 1937 geëskaleer. Op daardie tydstip was Achterberg woonagtig in Utrecht en was hy weer verloof. Ten spyte van die verlowing, het hy verlief geraak op sy verhuurder, Roel van Es. Op 15 Desember 1937 het hy homself op Van Es se dogter Bep probeer forseer, en toe Van Es probeer het om hom te stop het hy haar geskiet en daardeur haar dood veroorsaak en ook die dogter gewond. Na die skietery het hy homself ingegee en was hy gevonnis tot Nie-vrywillige behandeling. Hy was aangehou tot 1943. Gedurende sy aanhouding en die tydperk daarna (tussen 1939 en 1953) het hy 22 bundels poësie gepubliseer. In 1946 is hy getroud met sy vriendin uit sy kinderdae, Cathrien van Baak, saam met wie hy gewoon het in Leusden totdat hy in 1962 beswyk het aan 'n hartaanval.

In 1959 het Achterberg die Constantijn Huygens-prys ontvang vir sy gehele oeuvre.

Achterberg se mees bekende werk is die sonnet-vervolg Ballade van de gasfitter. J.M. Coetzee het die sonnet ingesluit in 'n bundel van sy Engelse vertalings van Nederlandse poësie getiteld Landscape with Rowers (2004).[1] Vroeër in sy loopbaan het Coetzee ook 'n opstel op hierdie sonnet-vervolg geskryf getiteld : Achterberg se Ballade van de gasfitter: Die Geheim van Ek en Jy (1977),[2]

Voorbeelde van sy digkuns[wysig | wysig bron]

Het Gericht[wysig | wysig bron]

De klok regeert de kamer,
monotone wetten
murmulen in den avond,
niemand kan zijn regelen verzetten,
niemand wordt hier doorgelaten.

Vandaag ben ik beschuldigd,
van avond lig ik voor 't gericht.
Stilte in de zalen,
alleen het ademhalen
van de kast, een moeder die mij ziet.

Wind en regen buiten
pleiten en verdedigen
wind en regen buiten
pleiten en omsluiten
den rechter met hun redenen.

Rinkelend verschrikken
minuten, minuten;
uren hijgen voort
en vier muren klagen
om een enkel woord
van vergeven vóór den morgen,
om een antwoord van vergeven,
om een antwoord vóór den morgen.
  • Uit: Afvaart (1931)

Met dit gedicht...[wysig | wysig bron]

Met dit gedicht vervalt het vorige.
Ik blijf mijn eigen onderhoorige.

Totdat in 't einde blijken zal,
wie meester is, en wie vazal.

Tusschen mijn leven en mijzelve
is enkel nog een graf te delven.

Maar buiten deze laatste dingen
is enkel nog het lied te zingen,
-is enkel nog den dood 'tontwringen

het lied dat van haar lichaam is,
het lied waarvan haar lichaam is
de onbevlekte ontvangenis

en dat den dood niet toebehoort
binnen dit woord.

  • Uit: Eiland der ziel (1939)

Beumer & Co.[wysig | wysig bron]

Hoeken met huisgeheimen
komen bloot.
De vloeren schamen zich dood.
De lamp hangt laag en groot,
want de tafel is weggenomen.

Zij, die naar boven komen,
breken blind kapot
wat was in slot, ontnomen
wordt elk ding aan zijn lot;
maar de liefde is uit God,
en God is liefde. Amen.

De deur die binnen was,
is buitendeur geworden.
Onder de hand der horde
sterft het glas.

De spiegel met eeuwig licht
zwicht langzaam voorover,
en doet de kamer dicht.
Er ligt spinrag over.

Waar divan en donker stonden
is, hun geheim ten spot,
een vrouwenschoen gevonden;
maar de liefde is uit God.
En buiten zullen staan de honden.

Misgeboorte[wysig | wysig bron]

Van poëzie bezeten,
door demonen besprongen,
rotten de woorden
bij hun geboorte,
en liederen worden aas voor honden.
  • Uit: Dead end (1940)

Standbeeld[wysig | wysig bron]

Een lichaam, blind van slaap,
staat in mijn armen op.
Ik voel hoe zwaar het gaat.
Dodepop.
Ik ben een eeuwigheid te laat.
Waar is je harteklop?

De dikke nacht houdt ons bijeen
en maakt ons met elkaar compact.
'Om Godswil laat mij niet meer los
mijn benen zijn geknakt',
fluister je aan mijn borst.

Het is of ik de aarde tors.
En langzaam kruipt het mos
over ons standbeeld heen.

  • Uit: Sphinx (1946)

Droomschuim[wysig | wysig bron]

Droomschuim was deze nacht
een gaaf gezicht en warme kleren.
Wij spraken veel en vlug,
omdat het niet kon duren.

Je was hertrouwd, hij zag 
onze intimiteiten.
Hij sloeg zijn ogen neer
zonder verwijten.

Je sloeg op hem geen acht:
herroepelijk ontstonden
de oude plattegronden,
in vogelvlucht. In vogelvlucht.

Je zei: nu moet ik terug.
Je mantel en haar werden stug.
Toen ben ik wakker geschrokken:
op de scharnieren der eeuwigheid
draaide de tijd
dicht als een deur achter je rokken.

Verwysings[wysig | wysig bron]

  1. J.M. Coetzee, Landscape with Rowers, Princeton University Press 2004, ISBN 978-0-691-12385-1.
  2. waarin hy die skuiwende oogpunt in verhouding tot die hoofkarakter van die gedig bespreek. Die opstel is ingesluit in J.M. Coetzee se , Doubling the Point, Harvard University Press 1992, bl.69-90.

Eksterne skakels[wysig | wysig bron]